Het jaar rond voor volwassenen

 

Sint Janskruid Sint Janskruid door Margret von Borstel

Sint Jan

Nu is de nacht alleen een waas van dauw
Dat strelend op de warme weiden daalt
En vóór ’t opaal vervloeit in donkerblauw
Teêrrood alreê de morgenschemer straalt,
Het zijn de lichte nachten van Sint Jan.
Zwaar wolkt een geur van rozen door het woud,
Daar is geen vogel, die nu slapen kan,
Geen bloem, die niet haar kelken openvouwt.

Stil-stralend ligt de Plas in zilverlicht.
Heel zacht bewogen door den morgenwind
Wuift suizend riet; in ’t wijde vergezicht
Sluimren de dorpen in matgrijzen tint.
“t Is hoogfeest van het blije zomertij,
Reeds juicht de merel al de vreugde ervan,
De zomerdroomen ruischen ons voorbij……

Het zijn de lichte nachten van Sint jan

Albertine Steenhoff-Smulders

Zomer Het bloemenwezen door Elisabeth Oling-Jellinek

Der Sommer

Das Erntefeld erscheint, auf Höhen schimmert
Der hellen Wolke Pracht, indes am weiten Himmel
In stiller Nacht die Zahl der Sterne flimmert,
Groß ist und weit von Wolken das Gewimmel.

Die Pfade gehn entfernter hin, der Menschen Leben,
Es zeiget sich auf Meeren unverborgen,
Der Sonne Tag ist zu der Menschen Streben
Ein hohes Bild, und golden glänzt der Morgen.

Mit neuen Farben ist geschmückt der Gärten Breite,
Der Mensch verwundert sich, daß sein Bemühn gelinget,
Was er mit Tugend schafft, und was er hoch vollbringet,
Es steht mit der Vergangenheit in prächtigem Geleite.

Friedrich Hölderlin ( 1770-1843 )

Indaling van de Heilige Geest 

Pfingsten door Elisabeth Oling-Jellinek (1915 – 2007)

Das Liebste fest

Pfingsten ist mir eigentlich das liebste unter den großen festen. Seine heilige Bedeutung, Herabsteigen göttlicher Kraft auf menschliche Wesen, hat etwas zugleich Tröstendes und Erhebendes, das doch nicht über der Fassungskraft unseres Geistes liegt, da man wohl zu begreifen vermag, wie sich geistig Göttliches und Menschliches mischt. Irdisch genommen aber ist es ein gar liebliches Fest, weil es den Winter recht eigentlich beschließt und man nun dem heiteren Sommer entgegengeht.

De hemelvaart van de aarde

Blauwe maan

Mondnacht

Es war, als hätt der Himmel
Die Erde still geküßt,
Daß sie im Blütenschimmer
Von ihm nun träumen müßt.

Die Luft ging durch die Felder,
Die Ähren wogten sacht,
Es rauschten leis die Wälder,
So sternklar war die Nacht.

Und meine Seele spannte
Weit ihre Flügel aus,
Flog durch die stillen Lande,
Als flöge sie nach Haus.

Joseph Freiherr von Eichendorff

Emil Bock schrijft over een fragment uit dit gedicht in zijn boek,

Van Jordaan tot Golgotha,

het volgende:

Het was, als had de hemel
de aarde stil gekust,
zodat, in bloesemend gewemel,
zij nu wel van hem dromen moest

De aarde denkt werkelijk dromend terug aan de kus van de hemel, die haar uit het duister van de winterslaap heeft gewekt. Het wit en de kleurenweelde van de bloesems brengt zij niet uit zichzelf voort. Zij zijn het bewijs van haar in het geheim tot stand komende vereniging met de hemel, door het wonder van de lente teweeggebracht.

Willem Noordijk, spelende kinderen bij de kersenbloesem

Willem Noordijk (1887 – 1970) – Spelende kinderen bij de kersenbloesem-


Ook de bloeiende bomen leren ons het geheim van de hemelvaart van de aarde te begrijpen. Zij ontvangen hun tooi vaak zo verrassend en verrukkend snel, in één nacht. Wanneer een boom slechts met het groene loof is bekleed, is zij nog niet “compleet”, nog niet voltooid. Pas gedurende de korte tijd waarin het bloesemkleed straalt, wordt zijn oerbeeld voor de aardse blik volledig zichtbaar. Eigenlijk is hij een naar de hemel opgeheven weide. De in bloesemtooi stralende kroon is door zijn sferische ronding een klein evenbeeld van de aarde, die zich uit de kluisters van de zwaartenkracht zou willen bevrijden om haar hemelvaart te volvoeren. De bloeiende boom kan ons veel leren. Hij laat ons zien dat wij de hemelvaart niet mogen afmeten naar de mate van de afstand tot de aardbodem, maar slechts naar de intensiteit van de naar boven strevende, zich naar de hemel uitstrekkende kracht. Ook al is de kroon van de boom niet ver boven het aardoppervlak verheven, het feit dat hij in bloei staat bewijst, dat de hemel de hemelvaart van de boom heeft aanvaard. En de bloeiende boom is ook een beeld daarvoor, dat de aarde, wanneer zij haar hemelvaart voltrekt, zichzelf niet ontrouw wordt.


Het proces van de hemelvaart, vanaf het opstijgen van de sappen, tot aan het vormen van de bloesem, vervreemdt de ziel van de aarde niet van deze wereld. Wanneer later de bloesems zacht zijn neergedwarreld is het wonder van de hemelvaart geenszins in de bovenaardse wereld teruggekeerd, maar is het omgezet in de aardse gaven, die wij als vruchten van de bomen mogen plukken: de hemel, die de natuur ons in de tijd waarin hemelvaart valt, voor ogen tovert, is niets anders dan de sfeer van de bronnen en kiemen, die achter ons aardse bestaan haar krachten ontplooit en waaruit al het aardse steeds opnieuw wordt geboren.

Een andere gelijkenis voor het wonder van hemelvaart spreekt tot ons, wanneer wij over de velden gaan en zien, hoe de leeuwerikken zingend opstijgen.Kaarsrecht voltrekken zij hun hemelvaart en hun orgelende gezang helpt hen daarbij.De krachten die de ziel van de aarde doorstromen en die het hemelwaarts streven van de natuur in de lente teweegbrengen, worden in de opwaartse vlucht van de leeuwerik zichtbaar en in zijn jubileren zelfs hoorbaar. Daardoor ontstaat een onze ziel bevleugelend beeld van een innerlijke opvlucht naar die hoogten waaruit wij nieuwe kracht kunnen putten voor ons leven en streven. De hemel van het feest van hemelvaart is geen bovenaardse hemel. Hij is de sfeer van de bezielende vlucht opwaarts, die wij hier op aarde nodig hebben, wanneer wij niet ten prooi willen vallen aan innerlijke verlamming en innerlijk afsterven.

Of laten we opzien naar de wolken: meestal zijn toch van de tijd van hemelvaart af de cumuluswolken, samengebald tot machtige, witte kogels, aan de hemel van het klimmende jaargetijde te zien. Deze wolken zijn, aan kosmische, bloesemende bomen gelijk, bij uitstek evenbeelden van de aarde, die zich graag zou willen verheffen tot hoog in de hemel. Zij zijn de vruchten van de grote kosmische vlucht opwaarts, die de gehele atmosfeer vervult. De vochtigheid van de aarde voldoet hierin, onder invloed van de nieuw beginnende zonnewarmte, haar hemelvaart, om, in hemelse hoogten bevrucht, als levenschenkend vocht, in e vorm van dauw en regen, naar de aarde terug te keren.. Elke vorm van hemelvaart in de lentenatuur geschiedt ten gunst van het aardse leven.

Dit is een fragment uit het boek : Van Jordaan tot Golgotha, geschreven door Emil Bock.

Appelbloessem Aquarel gemaakt door Martha Oosterveld

Mei
Wanneer wij door de boomgaard gaan
En onder de bloeiende bomen staan,
Lijkt het alsof we in een sprookjeswereld zijn,
Zo teder alles en oneindig rein.

Zoals de lentewind de geuren steelt
Van duizend bloesems die hij streelt,
Zo voel ik mijn gedachten gaan,
Bij t’zien, hoe het kindje speelt.

Bloesems, louter bloesemweelde,
Als een golvende zee van wit.
Waar doorheen de wind zacht speelde,

 


Haar betoverend met sprankelend licht.

Alles bloeide in de bongerd,
Rijk en vol van pracht.
Het bijenvolk werd aangelokt
En schonk ons honing vol zonnekracht.

Hermien Ijzermann

De zon

Elke dag weer een overwinning van het licht op de duisternis.

Een geschenk van Licht, Warmte en Leven.

Lofzang op de ZON.

Hymnus Des Pharao Echnaton

Fragment uit Der Sonnengesang von El-Amarna

Du erstrahlst so schön im Lichtberg des Himmels
Du lebendige Sonne, die zuerst zu leben anfing.
Du leuchtest auf im östlichen Horizont
Und erfüllst alle Lande mit deiner Schönheit.
Du bist schön und gewaltig, glänzend und hoch über allen Landen.
Deine Strahlen umarmen die Länder bis zum letzten Ende deiner Schöpfung.
Du bist fern, und doch sind deine Strahlen auf der Erde.
Du bist im Angesicht der Menschen, und doch kann man deinen Weg nicht sehen.
Gehst du zur Rüste am westlichen Horizont
So ist die Welt in Finsternis wie im Tode:
Die Schläfer sind in der Kammer, die Häupter verhüllt,
Nicht kann ein Auge das andere sehen.
Jedes Raubzeug kommt hervor aus seiner Höhle,
Und alles Schlangengewürme beißt.
Die Welt liegt in Stille, denn der sie schuf, ist zur Ruhe gegangen.
Im Morgengrauen aber leuchtest du wieder auf und glänzest aufs neue als Sonne am Tage.
Es weicht die Finsternis, sobald du deine Strahlen spendest,
Die Länder sind in Festesstimmung,
Die Menschen erwachen und stellen sich auf die Füße:
Du hast sie sich erheben lassen.
Sie waschen ihren Leib, sie nehmen die Kleidung,
Ihre Hände erheben sich in Anbetung, weil du erschienen bist.
Die ganze Welt tut ihre Arbeit.
Alles Vieh labt sich an seinem Kraute,
Bäume und Pflanzen grünen;
Die Vögel fliegen aus ihrem Neste,
Ihre Flügel erheben sich in Anbetung für dich.
Alles Wild hüpft auf den Füßen,
Was da kreucht und fleucht,
Sie leben, weil du ihnen aufgeleuchtet bist…
Wie zahlreich sind doch deine Werke!
Sie sind verborgen vor dem Angesicht der Menschen.
Du einziger Gott, außer dem es keinen andern gibt,
Du hast die Erde geschaffen nach deinem Sinn,
Du einzig und allein,
Mit Menschen, Herden und allem Getier.
Die Fremdvölker, Syrien und Äthiopien und das Land Ägypten…
Du hast den Himmel gemacht fern von der Erde,
Um an ihm zu erstrahlen,
Um alles, was du, einzig du, erschaffen hast, zu sehen,
Wenn du aufleuchtest in deiner Gestalt als lebendige Sonne
Strahlend und glänzend, fern und doch so nah.
Du machst Millionen Gestalten aus dir, dem Einen,
Städte, Dörfer, Äcker, Wege und Ströme.

Bestemming

Afbeelding: Bestimmung (1970) door Walther Roggenkamp

 

Ich fühle die Ruder

der Schiffe

in meinem Herzen –

sie schneiden, sie drängen

und suchen

nach dem offenen,

noch zu bestimmenden Meer.

Von den Masten wehen die Fahnen

den Abschied landein –

und Vögel gleiten

auf Wellen der Klage.

Wenn die Kielspur

tiefer schneidet,

hört ihr die Namen!

Dann wird das Meer

zu dem grossen Auge _

tränenschwer

unter dem blauen Himmel –

grenzenlos seinem Anblick.

Doch auf windtanzenden Wellen

lockt der erste Sieg

den höchsten Tag zu verschenken:

Das Meer ist unser,

das weite, leuchtende,

sonnentragende,

sonnentrinkende Meer!

Ploegen in de lente maart 1905

Maart

Dit is een duivelskind, deze maand Maart.
Men kan dit in een stormnacht goed bemerken:
Hij buitelt door de schoorsteen op de haard
En blaast de torenhanen van de kerken!

Nochtans, al wat hij roert is slechts zijn staart,
Waarmee hij wind maakt als met vogelvlerken,
En van zijn hoef is enkel ’t boerenpaard
De drager, dat de akker gaat bewerken.

Rust en beweging is deze maand eigen:
Wildheid der luchten, en op aarde ’t wachtend
Verlangen naar wat eerlang komen gaat.

En drooggewaaide stoepen langs de straat
Zijn nooit zo helderblauw en kalm en smachtend
Als wanneer buien in de hemel dreigen.

Simon Vestdijk

Lichtcircel

Lichtgroei

Waar vinden wij de lichtkracht?
Hoe versterken wij onze lichtgroei?
Het is als een gaan van buiten naar binnen en dan van binnen naar buiten, bij ons zelf. Op deze twee wegen kunnen wij ons denken, ons voelen en willen versterken. En zó het Kerstfeest goed beleven.

Duisternis en Licht

De duisternis is steeds met de grote lichtbron erachter verbonden.
Het licht heeft steeds de duisternis naast zich.
Waar licht is, is duisternis.
Waar duisternis is, is licht te vinden.
Dit is het motief in de donkere tijd van het jaar.
Dit motief kan de Adventsweken als een lied doorklinken.
Het klinkt in de natuur.
Het klinkt in de wereld om ons heen.
Dit lied zingt ook in ons zelf.

Twee teksten geschreven door Hermien ijzerman

 

A

Maria Lictmis

Maar boven alles gaat het om het gebaar van een ieder voor

steen, plant, dier en mens,

als voorbeeld voor een nieuwe generatie.

En dat geldt niet alleen voor het vroegste voorjaar maar voor het hele jaar.

Zelfs voor het hele leven.

 

De zachte krachten zullen zeker winnen 
in ’t eind — dit hoor ik als een innig fluistren 
in mij: zoo ’t zweeg zou alle licht verduistren 
alle warmte zou verstarren van binnen.

De machten die de liefde nog omkluistren 
zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen, 
dan kan de groote zaligheid beginnen 
die w’als onze harten aandachtig luistren

in alle teederheden ruischen hooren 
als in kleine schelpen de groote zee. 
Liefde is de zin van ’t leven der planeten

en mensche’ en diere’. Er is niets wat kan storen 
’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten: 
naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.

Henriëtte Roland Holst

(1869-1952)

kiemkracht

Kiemkracht (1976) door Walther Roggenkamp

Groei

Dit is de eerste

schuchtere groei

een zich ontplooien

naar het licht.

Eens is van liefde

en geduld

de tijd vervuld.

Dan staat

mijn stille tuin in bloei

en elk aandachtig bloemgezicht

is toegericht

naar U.

Ida Gerhardt

 

Aanbidding door de koningen door Elisabeth Oling – Jellinek

Driekoningenlied
 
Het kwamen drie koningen gereden
wel verre uit Orienten land
tot Bethleem der steden,
haars gelijk men nooit en vand.
 
Te Jeruzalem zo wij horen
aldaar zo wouden zij zijn,
zij vraagden: ‘Waar is Hij geboren
der Joden koningk fijn?
 
Wij komen hem aanbeden,
wij hebben Zijn sterre gezien;
het is zeer korts geleden,
het moet wonder bedien.’
 
Als Herodes dat verhoorde
wel zere ontzag hij hem,
van binnen hij hem verstoorde
ende alle Jeruzalem.
 
Hij beval hen te gane,
hij sprak: ‘Gaat, zoekt dat kind,
ik wil ’t ook beden ane,
koomt, zegt mij als gij ’t vindt’.
 
Als zij buiten Jeruzalem kwamen
op dieën zelven tijd,
haar sterre zij weder vernamen,
dies waren zij zeer verblijd.
 
Die Sterre was hen voor gaande
tot daar dat Kindeken was,
ende daar bleef zij staande,
zij buigden neder in ’t gras.
 
Een huisken zonder doren
dat vonden zij daar bij,
ende dat Kindeken geboren
van Maria die Maged vrij.
 
Zij vielen opter eerden
voor ’t Kindeken, dertien dagen oud,
zij offerden Hem met weerden
Wierook, Myrrhe en Goud.
 
’s Nachts als zij slapen wouden
heeft hun Gods engel geopenbaard
enen anderen weg dat zij trekken zouden
tot haren landen waart.
 
Nu loven wij altenen
dat Kindeken weerdelijk,
dat Hij ons wil verlenen
hier na Zijn eeuwig rijk.