Het jaar rond voor volwassenen

Ploegen in de lente maart 1905

Maart

Dit is een duivelskind, deze maand Maart.
Men kan dit in een stormnacht goed bemerken:
Hij buitelt door de schoorsteen op de haard
En blaast de torenhanen van de kerken!

Nochtans, al wat hij roert is slechts zijn staart,
Waarmee hij wind maakt als met vogelvlerken,
En van zijn hoef is enkel ’t boerenpaard
De drager, dat de akker gaat bewerken.

Rust en beweging is deze maand eigen:
Wildheid der luchten, en op aarde ’t wachtend
Verlangen naar wat eerlang komen gaat.

En drooggewaaide stoepen langs de straat
Zijn nooit zo helderblauw en kalm en smachtend
Als wanneer buien in de hemel dreigen.

Simon Vestdijk

 

A

Maria Lictmis

Maar boven alles gaat het om het gebaar van een ieder voor

steen, plant, dier en mens,

als voorbeeld voor een nieuwe generatie.

En dat geldt niet alleen voor het vroegste voorjaar maar voor het hele jaar.

Zelfs voor het hele leven.

 

De zachte krachten zullen zeker winnen 
in ’t eind — dit hoor ik als een innig fluistren 
in mij: zoo ’t zweeg zou alle licht verduistren 
alle warmte zou verstarren van binnen.

De machten die de liefde nog omkluistren 
zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen, 
dan kan de groote zaligheid beginnen 
die w’als onze harten aandachtig luistren

in alle teederheden ruischen hooren 
als in kleine schelpen de groote zee. 
Liefde is de zin van ’t leven der planeten

en mensche’ en diere’. Er is niets wat kan storen 
’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten: 
naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.

Henriëtte Roland Holst

(1869-1952)

kiemkracht

Kiemkracht (1976) door Walther Roggenkamp

Groei

Dit is de eerste

schuchtere groei

een zich ontplooien

naar het licht.

Eens is van liefde

en geduld

de tijd vervuld.

Dan staat

mijn stille tuin in bloei

en elk aandachtig bloemgezicht

is toegericht

naar U.

Ida Gerhardt

 

Aanbidding door de koningen door Elisabeth Oling – Jellinek

Driekoningenlied
 
Het kwamen drie koningen gereden
wel verre uit Orienten land
tot Bethleem der steden,
haars gelijk men nooit en vand.
 
Te Jeruzalem zo wij horen
aldaar zo wouden zij zijn,
zij vraagden: ‘Waar is Hij geboren
der Joden koningk fijn?
 
Wij komen hem aanbeden,
wij hebben Zijn sterre gezien;
het is zeer korts geleden,
het moet wonder bedien.’
 
Als Herodes dat verhoorde
wel zere ontzag hij hem,
van binnen hij hem verstoorde
ende alle Jeruzalem.
 
Hij beval hen te gane,
hij sprak: ‘Gaat, zoekt dat kind,
ik wil ’t ook beden ane,
koomt, zegt mij als gij ’t vindt’.
 
Als zij buiten Jeruzalem kwamen
op dieën zelven tijd,
haar sterre zij weder vernamen,
dies waren zij zeer verblijd.
 
Die Sterre was hen voor gaande
tot daar dat Kindeken was,
ende daar bleef zij staande,
zij buigden neder in ’t gras.
 
Een huisken zonder doren
dat vonden zij daar bij,
ende dat Kindeken geboren
van Maria die Maged vrij.
 
Zij vielen opter eerden
voor ’t Kindeken, dertien dagen oud,
zij offerden Hem met weerden
Wierook, Myrrhe en Goud.
 
’s Nachts als zij slapen wouden
heeft hun Gods engel geopenbaard
enen anderen weg dat zij trekken zouden
tot haren landen waart.
 
Nu loven wij altenen
dat Kindeken weerdelijk,
dat Hij ons wil verlenen
hier na Zijn eeuwig rijk.